Het aantal mensen dat kampt met psychische problemen neemt toe. Het aantal therapeuten ook. Hoe kan dat? Werkt therapie eigenlijk wel, vroeg Lena Bril, die zelf tien jaar lang af en aan professionele hulp kreeg, zich af.
Mijn therapiegeschiedenis begon in de Watergraafsmeer, een welvarende wijk aan de oostkant van Amsterdam. 21 jaar was ik, en het leek mijn omgeving een goed idee als ik ‘een keer met iemand ging praten’. De psycholoog – een vrouw met zachte blauwe ogen achter een dun brilmontuur en een zwaar Duits accent – ontving me in een donker souterrain. We namen tegenover elkaar plaats, een koffietafel met een schaaltje hoestbonbons en een doos tissues tussen ons in.
‘Zo, Lena. Wat brengt je hier?’
Tien jaar later zat ik nog wekelijks tegenover een therapeut. In die jaren heb ik mezelf onderdeel zien worden van een maatschappelijke ontwikkeling. Met mij zitten nu talloze mensen psychisch in de knel, en die snakken allemaal naar hulp van een psycholoog of psychiater. Hoe kan het dat zoveel mensen tegenwoordig worstelen met mentale problemen, begon ik mij af te vragen. En is therapie de oplossing voor deze ‘mentale gezondheidscrisis’ – of deel van het probleem?
De World Health Organisation houdt bij hoeveel psychologen en psychiaters elk land per inwoner heeft. In die lijst staat Nederland in de top drie met de meeste psychiaters per honderdduizend inwoners en heeft het de hoogste psychologendichtheid van Europa. Dat aantal therapeuten blijft toenemen: in 2022 waren er 15.785 gz-psychologen (negen procent meer dan in 2020), 4462 psychotherapeuten (zeven procent meer) en ruim tweeduizend klinisch psychologen. Ook het aantal psychiaters – bevoegd om medicatie voor te schrijven – stijgt. In 2003 had Nederland 2412 psychiaters, vijftien jaar later waren dat er 3712, een toename van 54 procent. Als ik een bierviltjesberekening maak, heeft Nederland zo’n 24.000 werkzame psychologen en psychiaters. Ter vergelijking: Nederland telt zo’n tienduizend tandartsen en in totaal werken er 1,6 miljoen mensen in de zorg.
Momenteel staan er meer dan negentigduizend mensen op een wachtlijst voor therapie in de ggz. De mentale gezondheid van Nederlanders lijkt dan ook te verslechteren. Het percentage volwassenen (18-64 jaar) dat in een jaar met een psychische aandoening te maken heeft, is in de afgelopen jaren fors toegenomen: van 1,9 miljoen tussen 2007 en 2009 naar 3,3 miljoen in 2022.
Er is dus sprake van een paradox: steeds meer therapeuten, maar géén verbetering van het mentale welzijn. Onderzoekers noemen dit de ‘behandelingsprevalentieparadox’: meer therapie leidt niet tot minder klachten. Hoe kan het dat méér van een beoogde oplossing niet bijdraagt aan de afname van het probleem? Werkt therapie eigenlijk wel? En ik ging de balans opmaken na tien jaar praattherapie: had al dat gepraat mij geholpen?
**De tweede keer dat ik in therapie ging**, nu 25 jaar oud en ‘overspannen’ verklaard door een bedrijfsarts, draaiden de praatsessies met de psycholoog met de zachte ogen om twee thema’s. Hoe ‘ik in elkaar zat’ en ‘waar mijn grenzen’ lagen. We namen mijn gedachten onder de loep: welke negatieve gedachten hinderden mij, en klopten mijn aannames eigenlijk wel? Wat kon ik daarvoor in de plaats denken, en hoe kon ik anders op die gedachten reageren? Thuis tekende ik ‘gedachtenbomen’ uit (leidt één spelfout tot ontslag? Nee, dat is een niet-correcte overtuiging), ruimde een speciaal ‘piekerkwartier’ in om mijn negatieve gedachten op een afgebakend moment de vrije loop te laten. Dagelijks mediteerde ik om meer zicht te krijgen op mijn gedachten en ze makkelijker los te laten.
1 commento
[Archive](https://archive.ph/VAQlE)
**‘Psychiatrie is ook maar een verhaal’**
Het aantal mensen dat kampt met psychische problemen neemt toe. Het aantal therapeuten ook. Hoe kan dat? Werkt therapie eigenlijk wel, vroeg Lena Bril, die zelf tien jaar lang af en aan professionele hulp kreeg, zich af.
Mijn therapiegeschiedenis begon in de Watergraafsmeer, een welvarende wijk aan de oostkant van Amsterdam. 21 jaar was ik, en het leek mijn omgeving een goed idee als ik ‘een keer met iemand ging praten’. De psycholoog – een vrouw met zachte blauwe ogen achter een dun brilmontuur en een zwaar Duits accent – ontving me in een donker souterrain. We namen tegenover elkaar plaats, een koffietafel met een schaaltje hoestbonbons en een doos tissues tussen ons in.
‘Zo, Lena. Wat brengt je hier?’
Tien jaar later zat ik nog wekelijks tegenover een therapeut. In die jaren heb ik mezelf onderdeel zien worden van een maatschappelijke ontwikkeling. Met mij zitten nu talloze mensen psychisch in de knel, en die snakken allemaal naar hulp van een psycholoog of psychiater. Hoe kan het dat zoveel mensen tegenwoordig worstelen met mentale problemen, begon ik mij af te vragen. En is therapie de oplossing voor deze ‘mentale gezondheidscrisis’ – of deel van het probleem?
De World Health Organisation houdt bij hoeveel psychologen en psychiaters elk land per inwoner heeft. In die lijst staat Nederland in de top drie met de meeste psychiaters per honderdduizend inwoners en heeft het de hoogste psychologendichtheid van Europa. Dat aantal therapeuten blijft toenemen: in 2022 waren er 15.785 gz-psychologen (negen procent meer dan in 2020), 4462 psychotherapeuten (zeven procent meer) en ruim tweeduizend klinisch psychologen. Ook het aantal psychiaters – bevoegd om medicatie voor te schrijven – stijgt. In 2003 had Nederland 2412 psychiaters, vijftien jaar later waren dat er 3712, een toename van 54 procent. Als ik een bierviltjesberekening maak, heeft Nederland zo’n 24.000 werkzame psychologen en psychiaters. Ter vergelijking: Nederland telt zo’n tienduizend tandartsen en in totaal werken er 1,6 miljoen mensen in de zorg.
Momenteel staan er meer dan negentigduizend mensen op een wachtlijst voor therapie in de ggz. De mentale gezondheid van Nederlanders lijkt dan ook te verslechteren. Het percentage volwassenen (18-64 jaar) dat in een jaar met een psychische aandoening te maken heeft, is in de afgelopen jaren fors toegenomen: van 1,9 miljoen tussen 2007 en 2009 naar 3,3 miljoen in 2022.
Er is dus sprake van een paradox: steeds meer therapeuten, maar géén verbetering van het mentale welzijn. Onderzoekers noemen dit de ‘behandelingsprevalentieparadox’: meer therapie leidt niet tot minder klachten. Hoe kan het dat méér van een beoogde oplossing niet bijdraagt aan de afname van het probleem? Werkt therapie eigenlijk wel? En ik ging de balans opmaken na tien jaar praattherapie: had al dat gepraat mij geholpen?
**De tweede keer dat ik in therapie ging**, nu 25 jaar oud en ‘overspannen’ verklaard door een bedrijfsarts, draaiden de praatsessies met de psycholoog met de zachte ogen om twee thema’s. Hoe ‘ik in elkaar zat’ en ‘waar mijn grenzen’ lagen. We namen mijn gedachten onder de loep: welke negatieve gedachten hinderden mij, en klopten mijn aannames eigenlijk wel? Wat kon ik daarvoor in de plaats denken, en hoe kon ik anders op die gedachten reageren? Thuis tekende ik ‘gedachtenbomen’ uit (leidt één spelfout tot ontslag? Nee, dat is een niet-correcte overtuiging), ruimde een speciaal ‘piekerkwartier’ in om mijn negatieve gedachten op een afgebakend moment de vrije loop te laten. Dagelijks mediteerde ik om meer zicht te krijgen op mijn gedachten en ze makkelijker los te laten.